Inleiding

De heer Foppe Dupon heeft mee op verzoek van zijn (klein)kinderen een deel van zijn ervaring in de 2e Wereldoorlog als dwangarbeider in Duitsland op papier gezet, zodat het bewaard kon blijven voor het nageslacht en de historie.

 

Herinneringen van een dwangarbeider in Duitsland

 

De oorlogsjaren 1940-1945 zoals Foppe Dupon uit Garyp die beleefde

Dreigende dagen

Ik begin mijn verhaal op 1 januari 1940. We hadden elkaar een gelukkig nieuwjaar toegewenst, maar of dit jaar echt wel zo gelukkig zou worden werd betwijfeld. De oorlogsdreiging vanuit Duitsland wordt steeds groter. Hitler is niet tevreden met zijn grondgebied en verovert de Duitsland omringende landen. Dat het neutrale Nederland gespaard zal blijven wordt betwijfeld en daarom mobiliseert de regering het leger. Sommigen denken dat het mee zal vallen. Nederland had immers ook de Eerste Wereldoorlog neutraal kunnen blijven. Maar ons land zou ook als een springplank gebruikt kunnen worden om Engeland te veroveren, denken anderen.
Ik werk, zeventien jaar oud, als boerenknecht, een beroep dat nu niet meer bestaat. Ik woonde nog bij mijn ouders thuis maar zou op 12 mei naar mijn werkgever, de familie Lautenbach op de Burgumer Noardermar, verhuizen als inwonend knecht.

10 mei 1940

De 10e mei 1940 is een dag die voor ons, met onze werkzaamheden in en rond het bedrijf, begint als alle andere. Maar het wordt een dag om nooit weer te vergeten! Helemaal onverwacht is de lucht plotseling vol vliegtuigen en lawaai. De boer, die naar de radio heeft geluisterd, vertelt dat de Duitsers ons land zijn binnengevallen en dat betekent oorlog.
Onder de indruk en verslagen, komt er van werken die dag niets meer. Overal in het land wordt fel gevochten, zo laat de radio weten, maar de overmacht van de Duitsers is groot. Vijf dagen duurt de strijd. Nadat vijandelijke vliegtuigen de stad Rotterdam praktisch hebben plat gebombardeerd en de Duitsers dreigen dat ook met andere steden te doen, kapituleert Nederland. De strijd is gestreden, Nederland is een door de Duitsers bezet land geworden. Wat de gevolgen voor de Nederlandse bevolking zullen zijn, is onvoorspelbaar.

De bezetter baas

Ik ben intussen toch bij mijn nieuwe baas ingetrokken en we proberen ondanks de oorlog en bezetting met moed verder te gaan.
Wat was er veranderd door die bezetting? In het begin niet eens zo veel, al lieten de Duitsers wel weten dat zij hier nu de baas waren. Ook zag je al snel dat sommige ‘vaderlanders’ met de vijand heulden. Dat gold helemaal voor de NSB-ers, verklikkers die je niet kon vertrouwen. De veranderingen kwamen langzaam. Zo kwamen er strenge regels voor de verduistering van de woningen. Er mocht ’s nachts geen lichtstraaltje uit een huis naar buiten schijnen want dan zwaaide er wat. Het zou eens een oriëntatiebaken voor de vijandelijke Geallieerde vliegtuigen kunnen zijn. Ook andere zaken werden langzaam maar zeker door de Duitsers ingevoerd. Zo kwam er een distributiestelsel voor alle goederen die regelmatig gekocht moesten worden door een gezin. Voedsel, kleding, tabak en vlees, alles kwam op de bon. Ook werd er een verbod uitgevaardigd om tussen elf uur ’s avonds en ’s morgen vier uur buitenshuis te komen en eiste de bezetter de inlevering van alle koperen voorwerpen, die ze wilden verwerken bij de aanmaak van munitie. Dat veel echte vaderlanders hun vaak dierbare spullen niet inleverden maar in de grond verstopten zal duidelijk zijn. Het beluisteren van buitenlandse zenders werd streng verboden en ook radio’s moesten worden ingeleverd. Het afstemmen op de vanuit Engeland uitzendende ‘Radio Oranje’ werd gezien als misdadig, maar met een zorgvuldig verstopte radio wisten velen de bemoedigende geluiden vanuit Engeland toch op te vangen.
Voor onze Joodse landgenoten brak een hele zware tijd aan. De Duitsers gunden hen geen enkele plaats meer in de samenleving. Zij waren dan ook de eersten die probeerden onder te duiken. Eind ’42 begin ’43 waren er velen die probeerden dat voorbeeld te volgen. De bezetter riep Nederlanders op om in Duitsland te gaan werken en velen hebben aan die oproep gehoor gegeven, ogenschijnlijk vrijwillig maar in werkelijkheid onder duidelijke dwang. Anderen probeerden zich door onder te duiken aan die tewerkstelling te onttrekken.
Zelf kon ik zo’n oproep nog omzeilen omdat ik in de landbouw werkte en in aanmerking kwam voor een vrijstelling. Uit eigen beweging zou ik nooit naar Duitsland zijn gegaan.
“Dan moeten ze me maar komen halen”, vond ik.

totop

De Melkstaking

In de maanden april en mei van het jaar 1943 brak er als protest tegen de wreed door de Duitsers aangepakte deportatie van onze Joodse landgenoten en zware opgelegde lasten, fel verzet uit tegen de bezetter.
Op het platteland en vooral in Fryslân vertaalde dit zich in ‘De Melkstaking’. Heel wat boeren en hun helpers deden daar spontaan aan mee. Ze leverden hun melk niet meer aan de zuivelfabriek, maar lieten die weglopen in de gierkolk of sloot. De Duitsers, verstoken van hun melkaanvoer, traden hard en wreed op tegen dit openlijke verzet. Ze dreigden de stakers zelfs met de doodstraf en voerden dat dreigement uit ook. Zo werd veehouder Freerk Wijma uit Sumar, die op principiële gronden weigerde melk te leveren, op zijn eigen erf en in het bijzijn van zijn vrouw, standrechtelijk doodgeschoten.
De veehouders, niet opgewassen tegen dit brute geweld, gaven toe en begonnen hun melk weer te leveren. Wel pleegde een aantal jonge mannen, door de melkbussen op weg naar de fabriek te legen, nog verzet. Ook hiertegen traden de Duitsers hard op, zochten de daders en straften zwaar. Ze kwamen zelfs in dorpen waar ze tot dan toe nauwelijks waren geweest en maakten jacht op jonge mannen.
Opnieuw ook werd een oproep gedaan om te gaan werken in Duitsland en wie daaraan geen gehoor gaf werd van huis gehaald. Er was maar één middel om je aan deze tewerkstelling in Duitsland te onttrekken en dat was onderduiken. Een vrijstelling had geen enkele waarde meer. Ook ik kon niet meer bij mijn boer aan de Noardermar blijven en ging terug naar mijn ouderlijk huis, als voorlopig onderduikadres. Het bleef wel oppassen. Ook in Burgum liepen verklikkers rond en hoe lang kon dit nog duren?
Er was niemand die dat wist.

Aan de dood ontsnapt

Het werd 1944 en ik zat nog steeds als onderduiker thuis.
Om het eentonige bestaan enigszins te verbreken liep ik op een zondag, als de Duitsers meestal minder actief waren, met drie lotgenoten naar de Burgumermar. We besloten dat ook op de nieuwjaarsdag van het jaar 1944 te doen.
Ik haalde twee van mijn maten op en gedrieën gingen we op stap naar de vierde. Om bij hem te komen moesten we over een kort stuk straatweg lopen. En daar ging het plotseling mis. Geheel onverwachts stuitten we daar op een achttal op de fiets patrouillerende Duitse soldaten. De schrik was groot. En natuurlijk was er maar één manier om aan dit gevaar te ontsnappen: aan de loop, zo snel mogelijk. Bouwland met boerenkool een eindje verderop zou in ieder geval dekking bieden. Maar de Duitsers waren sneller dan wij. Ze sprongen van de fiets, richtten hun wapens en begonnen te schieten. Kogels uit zes karabijnen en twee machinepistolen vlogen ons om de oren. Ja, wat denk je op zo’n moment. Ik weet het niet meer. Natuurlijk lieten we ons vallen en probeerden verder te kruipen. Zelfs dat gelukte niet, één kogel had mijn pols geraakt. Weer opspringend om sneller weg te komen kreeg ik in mijn onderbuik en mijn been nog twee treffers, waardoor ontsnappen onmogelijk werd. Eén van mijn maten stak zijn hand omhoog als teken van overgave, de andere wist te ontkomen.
De Duitsers, nieuwsgierig naar onze identiteit, zochten naar mogelijke papieren maar die hadden we niet. Wel zagen ze dat ik zwaar gewond was en hebben mogelijk gedacht, die haalt het niet, maak dit karwei maar af.
Gebeuren er dan toch nog wonderen? Helemaal bij toeval passeerde op dat moment de Burgumer huisarts Aan Brouwers de plaats des onheils. Uiteraard stopte de dokter om te helpen. Met een “Vanaf nu is dit mijn patiënt,” hield hij de Duitsers op afstand. Op een ladder werd ik eerst voorzichtig bij de dichtbij wonende familie Deinum in huis gedragen en van daaruit met de ziekenauto naar het ziekenhuis in Leeuwarden vervoerd. Daar werd ik aan mijn been en buik geopereerd en verbleef er zes weken om te herstellen.
“Er geht kaput”, had één van de Duitse soldaten gezegd die hielp om mij met de ladder te dragen. Hij had het mis. Terwijl ik dit opschrijf ben ik 76 jaar oud. Maar ik heb dan ook alle geluk van de wereld gehad die dag.

Heropvoeden

Geluk dat ik ook in het verdere verloop van de oorlog meer dan nodig zou hebben. Na mijn thuiskomst uit het ziekenhuis heb ik thuis eerst nog weken op twee stoelen moeten zitten en mocht toen langzaam aan weer leren lopen. Herstellend, en om dat herstel niet te openlijk te laten blijken, heb ik nog een tijdlang met krukken gelopen.
Toen werd het toch tijd om een nieuw onderduikadres te zoeken. Dat vond ik in Sumar. Maar om de verjaardag van mijn moeder op 25 mei nog thuis mee te kunnen vieren, stelde ik mijn vertrek uit tot na de Pinksterdagen. Mis, zo zou blijken. Precies op de verjaardag van mem stapten ’s middag rond twee uur drie mannen van de KK-politie ons erf op. Jonge fanatieke politiemensen, in Slagharen door de Duitsers opgeleid als speurhonden om mensen uit het verzet, weigeraars van de tewerkstelling en onderduikers op te sporen.
De bakkersknecht, die ter ere van het verjaardagsfeest oranjekoek had gebracht, waarschuwde nog. “Ze komen er aan”, schreeuwde hij. Opnieuw was er voor mij maar één mogelijkheid: vluchten. Ik rende, achtervolgd door drie politiemannen met getrokken revolver, aan de achterkant het huis uit in de hoop een korenveld te bereiken waarin ze me niet meer zouden kunnen vinden. Helaas, de boer had zijn veld afgerasterd met hoog gaas. Mijn vlucht mislukte. Gelukkig werd er deze keer niet geschoten. Tot verdriet van mijn ouders en woede van de inmiddels toegestroomde omwonenden, “feinten fan de fijân” hoonden ze, boeiden de mannen mij vast aan het stuur van mijn vaders fiets en namen mij zo mee naar de in tijd beruchte marechausseekazerne bij Quartrebras.
Met nog twee anderen werd ik ingesloten in een cel en de volgende dag afgeleverd bij het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Hier belandde ik opnieuw in een cel tot ik de volgende dag verhoord werd. Daar was ik nogal bang voor.
Er gingen immers afschuwelijke geruchten over de verhoorpraktijken in deze gevangenis. Het viel gelukkig mee. Ik had ook niets te verbergen, ik was alleen niet gekomen na een oproep om naar Duitsland te gaan. Ik ging opnieuw de cel in, eerst met vier en later zelfs met dertien man.
Tien dagen verstreken. Toen kwam er van hogerhand het bevel ‘Afvoeren’.
Ik moest voor heropvoeding naar kamp Amersfoort.

Rozentuin

Met meerdere Duitsland-weigeraars werd ik per trein naar Amersfoort gebracht, waar we werden opgesloten in wat de “Rozentuin” genoemd werd.
Eén en al bloemen? Nee, een geheel door prikkeldraad ingesloten ruimte.
Van daaruit werden we naar een kapper gebracht die ons volkomen kaal knipte, waarna we gezamenlijk onder de douche werden gezet. De eigen kleding moesten we inleveren. Wat we er voor terug kregen waren vodden die de naam kleding nauwelijks verdienden. Met mijn eigen kleding was ook mijn naam verdwenen. Foppe Dupon werd nummer 13615. Er werd mij een barak toegewezen en daarmee was ik blijkbaar klaar voor de heropvoeding. Die bestond onder andere uit een tweemaal daags gehouden appèl, ’s morgen om zeven uur en ‘s avonds om zes uur. Werd het appèl signaal gegeven dan moest je zo vlug mogelijk naar het voorplein rennen en je daar, precies in de rij, in de vakken opstellen van zo’n duizend man. De voorsten moesten zich daarna om beurten helder en duidelijk van één tot twintig melden. Zowel in de lengte als de breedte controleerden hoge officieren daarna of alles wel goed stond. Zo’n ceremonie duurde meestal een half uur en dan kon je weer terug naar de barak.
Op een avond werden we geheel onverwacht schreeuwend en scheldend voor een extra appèl naar het plein gejaagd, en moesten daar tot de volgende dag tien uur in de houding blijven staan. Sommigen konden dat niet volhouden; zij werden met een emmer koud water en stokslagen gedwongen toch weer op te staan. Pas na dertien uur mochten we inrukken en terug naar de barak. Daar bleek alles overhoop te zijn gehaald, op zoek naar mogelijke wapens.
Onder heel streng toezicht moesten we overdag buiten het kamp zogenaamd werken. Ik moest twaalf stenen op mijn arm stapelen en die in looppas 200 meter verder brengen. Viel er een steen dan moest je hem onder het getier van een soldaat zien op te rapen.
Een oudere man met bril liet zijn hele vracht vallen en was niet in staat wat op te pakken. Een Duitse soldaat tuigde hem ter plekke af met een knuppel en sloeg daarbij zijn bril kapot. Met glas in zijn ogen werd het slachtoffer afgevoerd en we hebben hem niet meer teruggezien.
Amersfoort was niet een heropvoedingskamp maar een streng strafkamp waar zelfs je leven niet veilig was.Dupon

Toch naar Duitsland

In juli 1944 kwam er verandering. De Duitsers waren blijkbaar van mening dat we genoeg gestraft waren of ze hadden ons ergens voor nodig.
Tijdens het ochtendappèl werden 350 nummers afgeroepen die zich apart moesten opstellen. Daarbij was ook nummer 13615, en dat was ik.
We moesten een formulier invullen dat naar ons huisadres werd gestuurd. Daarin werd verzocht een koffer met kleren naar Amersfoort te brengen. Het werd nu wel duidelijk, we gingen op transport en vrijwel zeker naar Duitsland.
In Burgum werd besloten dat mijn oudste broer en zuster de koffer zouden brengen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan in 1944. Reizen was niet gemakkelijk en zelfs niet ongevaarlijk. Dat bleek ook nu. De trein werd aangevallen door vliegtuigen van de Geallieerden, waarbij zelfs doden en gewonden vielen. Mijn familie wist gelukkig tijdig uit de trein te komen en kon dekking zoeken. Een tweede trein wist Amersfoort al te bereiken. Mij hebben ze niet gezien, contact met de familie werd niet toegestaan.
De Duitsers lieten er geen gras over groeien. Al om vier uur in de ochtend van de volgende dag moesten we aantreden en werden we onder bewaking van een afdeling soldaten naar het station gebracht, en daar opnieuw onder zware bewaking in een trein opgesloten die richting Duitsland reed.
Waarheen precies en wat de toekomst zou brengen wist niemand van ons. Het werd, na meer dan 24 uur in de trein te hebben gereden, het plaatsje Offingen am Donau in Beieren tussen de steden Ulm en Augsburg. Na nog twee uren sporen en een half uur lopen kwam er een eind aan de reis in een kazerne in de buurt van Augsburg. Daar werd ons een slaapplaats toegewezen waarna we hoopten eindelijk eens goed uit te kunnen rusten. Het mocht blijkbaar niet zo zijn. Na nog geen half uur was er luchtalarm en moesten we de schuilkelder van de kazerne in. Een alarm dat twee uren duurde. Daarna konden we toch nog even slapen maar helaas niet lang want ook hier was het vroeg aantreden voor appèl.
Daarna werden we aan het werk gezet, dit hield in dat we prikkeldraad voor de ramen van onze eigen kazerne moesten spijkeren. Niet om een vijand te keren maar om te voorkomen dat we zelf op de vlucht gingen.

totop

Augsburg onder vuur

Gelukkig bleef het niet bij prikkeldraad spijkeren, al zouden we dat ‘stikeltried’ nog heel vaak tegenkomen. Na drie dagen kazerne moesten landarbeiders en bouwvakkers zich melden.
Vijftig man werden geselecteerd en ik was één van de gelukkigen.
Opnieuw onder strenge bewaking liepen we naar het station vanwaar een trein ons in een half uur naar Cabelingen bracht.
We werden daar ondergebracht in barakken die natuurlijk weer door prikkeldraad maar ook door een onder electrische spanning staande draad werden afgesloten.
We mochten zelf een ruimte uitzoeken die aan twaalf man plaatst bood. Mijn ploeg bleek tot mijn verbazing en vreugde uit twaalf Friezen te bestaan. We moesten de ruimte zelf gebruiksklaar maken door de stapelbedden in elkaar te zetten en de strozakken te vullen.
Eten kregen we vanuit een keuken die buiten het barakkenkamp stond; het smaakte goed en er was voldoende. Naast de warme hap kregen we ook alvast brood met beleg voor de volgende morgen. Na Augsburg was er eindelijk wat meer comfort en rust zonder het luchtalarm. Jammer genoeg was het een verbetering die van korte duur was. Na drie weken hard werken op een vliegveld, was het karwei geklaard en moesten we terug naar Augsburg.
Toen we in de trein stapten gaven de sirenes aan dat er een luchtaanval op komst was. Bij aankomst in de stad zagen we de vreselijke gevolgen van het bombardement, in puin gegooide en nog brandende huizen, slachtoffers liggend op straat: dood en gewond. Het was de eerste keer dat wij zo’n luchtaanval van vrij dichtbij meemaakten en het was voor ons ook een lugubere ervaring.
Indirect trof de aanval ook ons. Ook de kazerne kreeg een voltreffer, waarbij de keuken nagenoeg werd vernield. Dat had directe gevolgen voor onze toch al schaarse voedselvoorziening.

 

totop

Honger en ziekte

Nagenoeg zonder te hebben gegeten waren we vertrokken uit Cabelingen.
Na de treinreis kwamen we aan in Augsburg, waar we eerst nog een eind moesten lopen en de heuvel beklimmen waarop onze kazerne stond, voordat we ’s avonds door en door moe aankwamen. Een thuiskomst waarbij, door de vernielde keuken, geen eten op ons stond te wachten. Dit was een situatie die in de daarop volgende dagen en weken nauwelijks veranderde. Hadden we het in Cabelingen wat de voedselvoorziening betrof goed gehad, hier werd het één grote ellende. ’s Morgens vroeg om vier uur moesten we opstaan, een half uur later aantreden, naar het station lopen, de treinreis naar Offingen maken en om zeven uur aan het werk in de fabriek waar vliegtuigvleugels werden gemaakt.

 

Fabriek Offingen
De ingang van de fabriek in Offingen
Om negen uur werd ons wat koffiesurrogaat aangeboden, ’s middags was er een werkpauze van een uur waarbij we koolwater met een smaakje kregen dat voor soep moest doorgaan, terwijl het aftreksel dat we om drie uur kregen beslist geen thee was.
Om zes uur in de namiddag stonden we weer bij het station voor de terugreis. De zwaksten onder ons, die het zware werk en de lange werktijden helemaal niet gewend waren, moesten we het laatste eind praktisch bij de heuvel op slepen.
In de kazerne moesten we dan in de rij staan voor wat de warme maaltijd heette: een paar aardappelen met een bruinig sausje met soms, bij hoge uitzondering, wat groente.
Voor de volgende morgen kregen we alvast 180 gram brood toebedeeld. De meesten waren ook na die warme hap nog zo hongerig dat ze hun brood dezelfde avond al opaten en dan de volgende dag met een lege maag op reis en aan het werk moesten. De gevolgen van deze karige voedselbedeling, naast het reizen en de lange werkdagen, bleven niet uit: velen van ons werden ziek.

 

 

Tegenslag en hoop

Zelfs de Duitsers zagen in dat het anders moest, wilden ze nog iets aan ons hebben als werkkracht. We werden naar Offingen verhuisd waar een leegstaand deel van een fabriek werd ingericht als verblijf voor 350 man. Er werd een keuken bijgebouwd waarin tot onze verrassing vanuit Nederland gehaalde koks het eten klaar maakten. Het reizen nam zo minder tijd in beslag en we werden ook niet, zoals in Augsburg, steeds wakker gehouden door het luchtalarm.
Het resultaat was duidelijk merkbaar, onze conditie verbeterde en we kregen weer hoop en moed om ooit het eind van deze oorlog te mogen beleven. We kregen ook moed omdat er geruchten tot ons kwamen dat de Geallieerden in Frankrijk waren geland, oprukten en de Duitsers terugdreven.
Naast deze hoopvolle berichten gebeurden er ook droeve gebeurtenissen. Twee van onze jonge mannen kwamen om tijdens een ongeluk bij hun werk. Ze zouden niet meer terugkeren naar eigen huis en haard en werden na een uitvaartmis in vreemde grond begraven. Thuis zouden familie en vrienden tevergeefs op hen wachten.
In september kondigde een nieuwe ramp zich aan. Mede door de matige voeding en de toch primitieve sanitaire voorzieningen brak er buiktyfus uit bij onze mensen. Velen van ons, waaronder ikzelf, werden ziek. Speciaal voor de zieken werd er achter de fabriek een grote tent opgezet waarin, geholpen door artsen uit het dorp, vrijwilligers ons verzorgden. Een plaag die zo’n vier weken duurde. Gelukkig maakte de ziekte geen dodelijke slachtoffers.
Toen ook hier luchtalarm werd gegeven, moesten we in alle haast de fabriek verlaten en zochten, onder bewaking van een soort burgerwacht die bestond uit oudere mannen met nog oudere geweren, dekking in een bos. Mannen die waarschijnlijk banger waren voor ons dan wij voor hen. Als we het gewild hadden dan hadden we op dat moment best kunnen vluchten. Maar waar zou je heen moeten in den vreemde, zo ver van huis. Ik was met één van mijn vrienden wel het dorp ingegaan, op zoek naar iets eetbaars. De kampbazen hadden dat streng verboden en noemden het bedelen. Toen we terugkwamen bleek dat de groep al terug was naar de fabriek en weer aan het werk was gegaan. Dat zou ons grote problemen opleveren, wisten we. We besloten te vertellen dat we in slaap waren gevallen en dat men had vergeten ons te wekken. De wacht bracht ons naar de ‘Lagerführer’.
Zou die ons geloven?

 

Zure appels

Onze ‘Lagerführer’ was een klein mannetje maar wel een echte nazi en Hitler man. Voor de deur van zijn kantoor was een stoep. Als hij daar op stond leek hij wat groter en kon hij ons recht in de ogen kijken.
Daar stonden we, wachtend op wat komen ging. “Haal je broekzakken leeg”, gebood hij mijn vriend. Naast de gebruikelijke dingen kwam daar een appel uit. “Zeker aan een dennenboom gegroeid”, schamperde de kampbaas en zag daarin een duidelijk bewijs dat we er in het dorp om hadden gebedeld. Naast een Hitler aanhanger was hij ook een voorstander van wat tegenwoordig ‘lik op stuk’ heet en zijn handjes zaten los. Hij haalde uit en gaf mijn maat een klap waarvan hij duizelde. Ik dacht: “En nu is het mijn beurt”, en was op de komende klap bedacht. Opnieuw ging zijn hand naar achteren en toen hij sloeg bukte ik me. Het resultaat was verbijsterend. Hij verloor zijn evenwicht, viel van zijn stoepje en belandde in de waterplas vlak achter ons. Razend was hij en heeft mij daarom afgetuigd totdat ik alleen nog sterretjes zag.

Dupon gebouwtjeDaarna liet hij ons insluiten in een afgesloten ruimte van een transformatorgebouwtje, een ruimte van anderhalve bij twee en een halve meter met op drie meter hoogte een opening waar wat licht en lucht door kwam. Eén kort moment per dag mochten we er uit om even te luchten en dan zaten we de rest van de dag in dat hok, ook tijdens het luchtalarm. Ook de kost was bepaald niet om over naar huis te schrijven. Drie weken lang heeft die gevangenschap op praktisch water en brood geduurd. Toen moesten we er wel uit omdat het gehele kamp opnieuw verhuisde. Drie weken zaten we opgesloten in een kleine ruimte, in kleren die niet werden gewassen. We zaten onder het ongedierte en moesten eerst grondig gereinigd en ontluisd worden voordat we verder konden met de rest. We hebben het overleefd! Wel heb ik er mijn hele leven claustrofobie, angst voor kleine nauwe ruimten, aan over gehouden.

 

 

Oversteek van de Donau

Het wordt 1945 en hoewel we als werkgevangene van de Duitsers geïsoleerd en afgesloten zijn van elke berichtgeving, valt uit alles op te maken dat de mof de slag verloren heeft en de oorlog zijn einde nadert.
De kampbewakers worden iets minder streng en wreed en in het nieuwe kamp krijgen we wat meer bewegingsvrijheid en mogen we ons zelfs binnen een straal van twaalf kilometer vrij bewegen.
In maart mag ik zelfs bij een Duitse boer werken, een man die tijdens de oorlog op één of andere wijze gewond is geraakt en niets van de oorlog moet hebben, al laat hij zich daar niet al te openlijk over uit. Nog niet inwonend, zoals bij mijn vroegere Burgumer werkgever in de Noardermar, maar ik eet wel mee met de Duitse familie: kost waar ik duidelijk van opknap.

In mei gaat alles aan het oorlogsfront plotseling sneller. We horen kanongebulder en zien verkenningstanks rijden die ook weer verdwijnen. Dan is het oorlogsfront plotseling zo dichtbij en dreigend dat ik met mijn boerenfamilie een dag in de schuilkelder verblijf.
En dan is de oorlog plotseling voorbij; we zijn bevrijd door het oprukkende Amerikaanse leger. Zij zijn nog wel voorzichtig en doorzoeken in het dorp huis na huis op vijanden. Eén van die knapen richt zelfs zijn revolver op mij, maar laat zich er van overtuigen dat ik een ‘Dutchman’ ben.
De oorlog is voorbij, klinkt zo onwezenlijk dat je het nauwelijks beseft en je niet weet hoe te reageren. Wat je wel weet is dat je naar huis wilt. Maar hoe? Er bestaat nog geen organisatie die zoiets regelt en er is geen vervoer. Dan gaan er geruchten dat er een kamp is waar alle buitenlanders worden opgevangen en verzameld voor repatriëring. Om er te komen moeten we eerst de snel stromende Donau oversteken, terwijl alle bruggen zijn opgeblazen. Mijn boer brengt mij, samen met een Belg waarmee ik in aanraking was gekomen, met paard een wagen naar een paar mannen die de oversteek met een bootje durven te wagen. Ze steken van wal en, terwijl de rivier ons zeker twee kilometer oostwaarts sleurt, bereiken we de overkant. Een avontuur op zich!

 

totop

Op weg naar huis

En daar was het repatriëringskamp, vol mensen die het liefst direct regelrecht naar huis wilden. Dat ging minder snel dan ze wilden. Er moesten formulieren ingevuld en gecontroleerd worden met persoonlijke gegevens en de bestemming, en daarna moest er vervoer worden geregeld.

Het werd weer wachten, al duurde iedere dag te lang. En dan is het plotseling zo ver. Vijftien grote trailers met elk ruimte voor tachtig man met bagage rijden voor. Ik word op de vijfde in die lange rij geplaatst en dat blijkt achteraf een minder goede keus. Ook mijn chauffeurs, Amerikaanse militairen, zetten de vaart er in. Maar als, nog geen twintig kilometer op weg, de heren een bocht te snel en te kort nemen, drukt dat de passagiers met zo’n kracht tegen het zijschot dat het afbreekt en een tiental mensen, waaronder ik, op straat wordt geslingerd. Tien man belanden in het ziekenhuis waar gelukkig blijkt dat de schade beperkt blijft tot schaafwonden. Maar door het ongeval missen we wel ons vervoer en moeten we op de volgende colonne wachten. Die brengt ons naar het stadje Heilbron waar blijkt dat door het oorlogsgeweld geen steen meer op de andere staat. Een station is er nog, daar eten en slapen we.

SchutenbachDit is het plaatsje Schutenbach; het café op de voorgrond was tijdens de oorlog de boerderij waar ik de laatste drie maanden heb gewerkt

Al de volgende dag brengt een trein ons naar de Franse stad Nancy, waar doktoren ons onderzoeken op mogelijke ziekten en kwalen en militairen ons doorlichten op crimineel gedrag tijdens de oorlog. Oorlogmisdadigers zouden kunnen proberen op deze wijze te ontsnappen. En dan, eindelijk eindelijk, rijdt onze volgende trein het noorden in en door België naar Breda. Het welkom in Breda, op vaderlandse grond, ervaren we als nogal kil en koel. Neemt men het ons kwalijk dat we in Duitsland en voor de vijand hebben gewerkt? Die tewerkstelling was, zeker in mijn geval, bepaald niet vrijwillig. Ook hebben we ons beslist niet uitgesloofd voor de Duitsers.
Verder vervoer naar het noorden? Daar moet je misschien wel een week op wachten, zo wordt verteld. Dat zijn we niet van plan; wachten hadden we al te lang gedaan. Ik wil op 25 mei, de verjaardag van mijn mem Afke, thuis zijn.

 

 

Thuiskomst met souvenir

Met nog drie Friezen zet ik de stap er in en we treffen het. Na nog geen twaalf kilometer te voet het noorden in, rijdt ons een militaire truck achterop. Na een eerste weigering weten we de bestuurder te overtuigen van onze situatie en haast en mogen we meerijden. Hij brengt ons tot Steenwijk.
We komen al dichter bij huis. Na nog een stevig eind te voet en een lift van een boer met paard en wagen staan we op ‘Fryske grûn’ in de buurt van Wolvega.
Bij een herberg langs de weg krijgen we, zonder een cent op zak, toch iets te drinken. De herbergier vertelt ons dat er iets verderop een wachtpost is waar alles en iedereen wat het noorden in wil, gecontroleerd wordt. We boffen alweer. Bij de wachtpost komt een kleine vrachtauto aanrijden die naar Dokkum moet. De bestuurder wil mij best meenemen en over Quartrebras rijden. Zo ben ik bijna thuis en aan het eind van mijn omzwervingen. Op Quartrebras staan drie Burgumer jongens met fietsen die ik ken. Het laatste eindje rijd ik bij één van die knapen achterop naar mijn ouderlijk huis op Tuskendiken. En zo sta ik ’s avonds om zeven uur, na precies een jaar te zijn weggeweest, weer bij heit en mem voor de deur.

Ruim een jaar geleden redde dokter Aan Brouwers, door in te grijpen, als door een wonder mijn leven. Precies een jaar geleden sleepten drie Nazi-knechten mij op de fiets van heit van huis en nu wordt ik een jaar later en een dag voor de verjaardag van mem op de fiets weer thuisgebracht. Eigenlijk al weer een wonder. “Ik ha op beide skouders in ingeltjes hân”.
En op Tuskendiken 34 is het de volgende dag, 25 mei 1945, dubbel feest. De verloren zoon is teruggekeerd en mem Afke viert haar verjaardag. Het dorp Burgum is op 14 mei door de Kanadezen bevrijd, maar op Tuskendiken 34 voelt men zich nu pas echt bevrijd.

Heit en mem, de broers en zusters blij, de buren blij. Maar hoe reageerde de overheid? Matig, of sterker gezegd, ze reageerde helemaal niet. Je komt zonder geld op een slof en een schoen en met alleen de oude kleren die je aan hebt, uit gevangenschap in den vreemde thuis en je hoort niets. Maar dat ik goed en gezond weer thuis kwam was natuurlijk hoofdzaak.

Terwijl ik dit schrijf ben ik 76 jaar oud, en die bange oorlogsjaren nog eens overdenkende, past mij alleen maar dankbaarheid dat het allemaal zo goed is afgelopen.
Op 1 januari 1999 was het precies 55 jaar geleden dat ik op de Burgumer Noardermar door de Duitsers werd neergeschoten. Ik heb ontzaglijk veel geluk gehad dat ik daarbij het leven behield.
De kogel die ik daarbij in mijn buik kreeg, zit er nog steeds als een souvenir en herinnering aan die bange oorlogsjaren 1940 – 1945.

 

Garyp, maart 1999

Foppe Dupon

(Met goedkeuring van de heer Foppe Dupon op de site van Garyp overgenomen - mei 2008 - webm. Reinder Herder)

totop
Rabskute.JPG

 'De Rabbelskûte' 21e jaargang nr.1 van 15 september 2017 is uit.

De Garipersite heeft weer enkele artikelen voor u overgenomen.

De volgende Rabbelskûte verschijnt op 17 november 2017.
Kopij inleveren uiterlijk vrijdag 10 november 2017 om 19.00 uur bij Anne Albada, Feanhústerpaad 12, 9263 RN in Garyp.
Zo mogelijk via het e-mail adres van de dorpskrant derabbelskute@gmail.com


Degenen die daar prijs op stellen kunnen via bovenstaand e-mailadres een digitale versie van de Rabbelskûte aanvragen.

Collecterooster 2017

10-09 t/m 16-09 Prinses Beatrix Spierfonds
17-09 t/m 23-09 Nierstichting Nederland
24-09 t/m 30-09 Fonds verstandelijk gehandicapten
01-10 t/m 07-10 Dierenbescherming
08-10 t/m 14-10 Nederlandse Brandwonden Stichting
15-10 t/m 28-10 vrije periode
29-10 t/m 04-11 Diabetes Fonds Nederland
05-11 t/m 11-11 Alzheimer Nederland
12-11 t/m 18-11 Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind
19-11 t/m 25-11 Nationaal MS Fonds
26-11 t/m 02-12 Leger des Heils