(Bron: De Telegraaf, 31 januari 2020)

Kop Telegraaf 31jan2020

Door ERIC LE DUC
31 jan. 2020 in BINNENLAND

Januari 1945. Terwijl in bevrijd Zuid-Nederland het Oranje Boven klinkt, lijdt het westen onder de Hongerwinter. Duizenden ondervoede kinderen uit de leeggeroofde randsteden worden geëvacueerd naar het platteland, waar ze kunnen aansterken. Eén van hen is de 9-jarige Paul van Vliet, een mager Haags bleekneusje dat in het Friese Garijp belandt.

PaulvanVliet met Friese doorlopersDe Friese doorlopers die Paul van Vliet in zijn werkkamer bewaart, zijn gemaakt door vader Kuipers. Van Vliet kreeg ze van Been Kuipers in het programma In de Hoofdrol van Mies Bouwman (1987). Ⓒ MATTY VAN WIJNBERGEN

De winter van 1944/1945 is een verschrikkelijke, ook in Den Haag. De terreur van de bezetter is meedogenloos, terugvallende V2-raketten jagen angst aan en geallieerde bombardementen zaaien dood en verderf.

Maar het ergst is de honger. Den Haag is compleet leeggeroofd, rantsoenen worden alsmaar minder en de hongertochten naar het platteland zijn vaak tevergeefs. De meeste boerderijen in de omgeving zijn platgelopen, een enkele boer heeft nog wat aardappelen of een peen.

Ook bij de familie Van Vliet in het Bezuidenhout is de situatie ernstig. Met zoon Paul en dochters Margreet, Helmi en Louk hebben vader Paul sr. en moeder Louise veel monden te voeden. De jongste - Louk - raakt zo verzwakt, dat zij wordt ondergebracht bij een bakker in Benthuizen. De rest van het gezin blijft in Den Haag. Voorlopig althans.

„Ik zag mijn vader en moeder zwakker en zorgelijker worden”, zegt cabaretier Paul van Vliet, 84 inmiddels. „Mijn ouders waren mijn rots in de branding waar ik tegenop keek. Veilig achterop bij vader op de fiets, vader weet de weg en ik weet nog van niets, zong ik later. Maar toen hij na een hongertocht door een NSB’er werd beroofd van zijn brood, eieren en wat aardappelen, zag ik hem wanhopiger worden.”

„Gelukkig waren er gaarkeukens waar je nog wat eten kon krijgen. Iedereen kent de beelden van jongetjes die over de gamellen hangen en met een pannetje de restanten eruit schrapen. Ook ik was zo’n jochie dat het moest doen met koolsoep met aardappelen erdoor. Het was niet voedzaam, maar je had het idee dat je wat binnenkreeg.”

Spookachtig

Den Haag wordt steeds grauwer en spookachtiger. Scholen blijven dicht, etalages zijn leeg, kolen raken op. „Ik vergeet nooit hoe ik mensen op straat van honger en kou in elkaar zag zakken en sterven”, vervolgt de cabaretier. „Het is een akelig gevoel, honger en kou. Je voelt je wee, slap en rillerig, met een vleugje misselijkheid. Daarom gingen we elke avond vroeg naar bed, om warm te worden en de honger te vergeten.”

Dan wordt op een dag bij de familie Van Vliet aangeklopt. Het is een vertegenwoordiger van de Kerk die zegt dat er nog één kindertransport door de linies naar het noorden gaat. Of Paul, Margreet en Helmi meewillen... „Mijn ouders stonden voor een duivels dilemma”, herinnert Paul zich. „Wilden zij hun kinderen bij zich houden in een stad waar overleven onzeker was? Of gaven zij ons de kans te vluchten naar onbekend, maar veilig gebied waar nog eten was? Vader moest snel beslissen.”

„Na een slapeloze nacht besloten mijn ouders ons te laten gaan. We kunnen niet meer voor jullie zorgen, zeiden ze. Wij begrepen hun dramatische besluit. Ons laatste avondmaal samen vergeet ik nooit. Met kunst- en vliegwerk hadden mijn vader en moeder nog iets van een feestmaaltijd in elkaar getoverd. Vetpotjes zorgden voor schaarse verlichting, een tot noodkacheltje omgebouwd Maggi-blik gaf de suggestie van warmte. Met tranen in zijn ogen vroeg mijn vader God om bescherming en een behouden weerzien.”

Afscheid

De volgende avond meldt het gezin zich bij het verzamelpunt op de Juliana van Stolberglaan. Met elk één koffertje onder de arm nemen de kinderen gelaten afscheid. Als de gammele bus zich in beweging zet, zien ze door de beslagen ramen hoe een troosteloos groepje ouders in de verte achterblijft. Paul: „Het enige wat ik toen dacht was: zie ik mijn vader en moeder ooit nog terug?”

Veel tijd om daarover te peinzen, krijgt hij niet. Want de barre tocht van zestien uur naar Friesland zit vol gevaren. „Onderweg werden we vaak door de Duitsers gecontroleerd”, vertelt Van Vliet. „Halt! Raus! Ausweis! blaften ze dan, waarna ze met hun lampen in onze bange gezichtjes schenen. En op een binnenschip werden we bij Leeuwarden aangevallen door geallieerde duikbommenwerpers. Die schoten op alles wat bewoog. Mensen gilden van paniek en begonnen uit angst te bidden. Ikzelf was niet echt bang, hoewel ik toen wel in mijn broek heb geplast. Het rare is dat je als kind snel accepteert dat de dingen zijn zoals ze zijn. Het was oorlog, ik wist niet beter.”

Op de eerste februarizondag van 1945 komen de Van Vliet-kinderen aan in Garijp. Helmi gaat naar echtpaar Van der Velde. Margreet komt terecht bij dokter Groeneveld, tevens leider van het lokale verzet. „Ik werd ondergebracht bij de familie Kuipers aan de Grote Buurt 144”, vertelt Paul van Vliet. „Weduwnaar Kuipers was timmerman en had één zoon – Been – en vier dochters: Akke, Nanke, Tjitske en Kersje.”

Vermicellisoep

„Het gezin zat net aan tafel toen ik binnenkwam. Verzwakt, vermagerd, vermoeid en doodverlegen schoof ik aan. Op tafel zag ik vermicellisoep, vlees, groenten, aardappelen, vette jus en pudding. Gulzig als een varken viel ik aan. Omdat ik de laatste maanden alleen maar tulpenbollen en bietenpulp had gegeten, was mijn maag flink ontregeld. Na de vermicellisoep viel ik flauw. Het eten was te vet en de kachel te warm...”

PaulvanVliet 9jaar bewPaul van Vliet werd als 9-jarig bleek en mager jochie opgenomen in een Friese familie om aan te sterken.

Paul wordt liefdevol opgevangen en sterkt snel aan. Hij krijgt een eigen kamer, nieuwe kleren en klompen. Ook gaat Paul naar school waar hij Fries leert en de naam Pauke Vlietstra aanneemt. „Aanvankelijk moest ik vechten voor mijn plekje in het dorp”, weet hij. „Eerst vonden mijn buurtgenootjes mij een vreemdeling. Later dachten ze even dat ik Joods was, waardoor ik het dorp in gevaar kon brengen. Als die schreeuwende jongens mij dan in elkaar wilden timmeren, maaide ik met mijn klompen om ze van het lijf te houden. Maar enkele weken later was ik volledig geaccepteerd.”

Na zijn aankomst in Friesland is de oorlog voor Paul van Vliet eigenlijk voorbij. Er is eten genoeg, een naburig bataljon Duitsers houdt zich koest en af en toe scheert een vliegtuig over. Maar op 3 maart 1945 komt het oorlogsgeweld toch dichtbij.

„We ontvingen berichten dat door een blunder van de geallieerden ons huis in het Bezuidenhout was platgegooid. Mijn ouders waren in paniek de straat op gevlucht waar vlak voor hun voeten de torenspits van de Mariakerk neerkletterde. Mijn vader kon mijn moeder nog net voor het vallende puin een portiek insleuren. De keuze ons naar Friesland te sturen, werd die dag nadrukkelijk gerechtvaardigd. Met z’n zessen hadden wij dat bombardement nooit overleefd.”

Avontuurlijk

Uiteindelijk komt het hele gezin Van Vliet door de oorlog en wordt het herenigd in een toegewezen huis in het Benoordenhout. „Of ik een trauma aan de oorlog en de Hongerwinter heb overgehouden? Nee. De oorlogsjaren hadden voor een kind ook iets avontuurlijks. Hout pikken voor de kachel was spannend. En als er vliegtuigen overkwamen, rende ik de straat op om te kijken. Wel heb ik heftige herinneringen. Aan mijn vader die ik na de capitulatie voor het eerst zag huilen. En aan de Joden die met razzia’s werden weggevoerd. Heel akelig was dat. Ook sommige geluiden zijn me bijgebleven. Ik vind het naar als ze op de eerste maandag van de maand die luchtsirenes testen. Als ik die hoor, denk ik altijd even: hè bah, oorlog. En ik kan slecht tegen beelden van kapotgeschoten steden, zoals in Syrië. Dat associeer ik toch met de puinhopen van ons huis in Den Haag. Bombarderen is wel iets heel onmenselijks, hè? Verschrikkelijk.”

We laten Paul een recente foto van het huis aan de Grote Buurt zien. „Dit plaatje brengt Friesland weer heel dichtbij”, reageert Van Vliet. „Die tijd daar, de mensen, de geuren... Rechts was de kamer met bedstee waarin ik na mijn flauwte weer bijkwam. Boven was mijn kamertje. En links, daar was de werkplaats van het timmermansbedrijf.”

„Toen ik in 1987 in het programma In de Hoofdrol van Mies Bouwman zat, verscheen daar tot mijn vreugde opeens zoon Been. Met in zijn handen een paar houten schaatsen die zijn vader had gemaakt. Die Friese doorlopers liggen op een mooi plekje in mijn werkkamer. Ik kijk er vaak naar en besef dan: dankzij de familie Kuipers heb ik de Hongerwinter overleefd.”

Huis Greate Buorren GarypHet huis van de familie Kuipers aan de Grote Buurt in Garijp

’Paul en zijn zussen leerden ons korfballen’

„Paul was een gezellige, goedlachse jongen”, weet Albertje Wijmenga uit Burgum nog. De nu 96-jarige Friezin werkte tijdens de oorlog in Garijp als dienstbode bij dokter Groeneveld waar ze Pauls zus Margreet leerde kennen. Ook was Albertje bevriend met Tjitske Kuipers, bij wie Paul in huis zat.

„Ik herinner me dat hij enorme honger had. Paul wilde alles wel opeten. Het kostte de familie Kuipers moeite hem te behoeden voor te veel eten. Later ging dat beter en sterkte hij aan waarna hij en zijn zussen ons leerden korfballen. Dat kenden wij in Garijp niet en steeds meer jongeren deden mee. Prachtig vonden we dat, want slecht nieuws was er in de oorlog genoeg. Maar de familie Van Vliet bracht nieuw elan.”

„Na de oorlog ben ik nog één keer bij de familie gaan logeren, in 1946. Op een mooie dag ging ik met Paul en zijn zussen naar het strand in Scheveningen. Als boerenmeisje kon ik nog niet zwemmen en ik ging al gauw spartelend ten onder. Als Pauls zus Louk toen niet zo daadkrachtig was geweest, had ik dit verhaal niet kunnen navertellen.”

Hongerwinter in cijfers

De Hongerwinter duurde van november 1944 tot en met april 1945. De voornaamste aandoeningen die door ondervoeding optraden, waren bloedarmoede, hongeroedeem, ademhalingsproblemen en uitputting. Ruim 50.000 kinderen werden vanaf december 1944 vanuit West-Nederland geëvacueerd. Tussen de 20.000 en 25.000 mensen kwamen om door honger en kou, circa 200.000 raakten gewond.

(Bron: De Telegraaf, 31 januari 2020)

Rabskute.JPG

 'De Rabbelskûte' 23e jaargang nr.4 van 3 april 2020 is uit. De Garipersite heeft weer enkele artikelen voor u overgenomen.

De volgende Rabbelskûte verschijnt op 5 juni 2020.
Kopij inleveren uiterlijk vrijdag 29 mei 2020 om 19:00 uur bij Anne Albada, Feanhústerpaad 12, 9263 RN in Garyp.
Zo mogelijk via het e-mailadres van de dorpskrant derabbelskute@gmail.com

Collecterooster 2020

  • 05-04 t/m 11-04 Hartstichting
  • 10-05 t/m 16-05 Longfonds
  • 24-05 t/m 30-05 Prins Bernhard Cultuurfonds 31-05 t/m 06-06 Epilepsiefonds
  • 07-06 t/m 13-06 Natuurmonumenten